De beste laptop in cijfers: Analyse van anderhalf jaar laptops testen

19 reacties
Inhoudsopgave
  1. 1. Inleiding
  2. 2. Prijs, merk en OS
  3. 3. Gewicht, formaat en aansluitingen
  4. 4. Beeldscherm
  5. 5. Processorprestaties
  6. 6. 3D-prestaties
  7. 7. Accuduur
  8. 8. Conclusie
  9. 9. Reacties

Inleiding

Hardware Info test jaarlijks honderden laptops, maar slechts een kleine subset daarvan bereikt de redactieburelen voor een uitgebreide bespreking. Dat zijn de interessantste modellen, bijvoorbeeld vanwege vernieuwende hardware, een innovatieve formfactor of een opvallend goede prijs-prestatieverhouding. De rest van de testresultaten ‘verdwijnt’ in onze database van tienduizenden producten, die je als bezoeker van de site – het moge bekend zijn – zelf kunt afstruinen op zoek naar producten die het meest aan jouw eisen voldoen.

We hadden al langer de wens om iets te doen om de verzamelde databerg inzichtelijk te maken. Dit artikel, dat oorspronkelijk verscheen in Hardware Info Magazine #5-2019, is daarvoor een eerste poging. We hebben in september alle testresultaten van laptops en convertibles die we vanaf maart 2017 tot en met dat moment hebben getest, verzameld uit de database. Ook Windows-tablets en Chromebooks zijn vertegenwoordigd. De zoekopdracht leverde op moment van schrijven bijna zeshonderd resultaten op. Na een verdere schifting bleven er precies 570 machines over. We hebben uit de dataset bijvoorbeeld enkele apparaten verwijderd die niet daadwerkelijk in deze configuratie te koop zijn (geweest) in Nederland. Dat is van belang omdat we van alle deelnemende apparaten de laatst bekende prijs hebben verzameld, zodat we tevens iets kunnen zeggen over de verhouding tussen prijs en prestaties.


Namen van laptopseries uit ons testveld van 570 machines in een wordcloud. Hoe groter de merknaam, hoe vaker hij voorkomt in onze dataset.

Hoewel we bij Hardware Info vaker grote vergelijkingstests van tientallen producten uitvoeren, gaat dit onderzoek qua schaalgrootte nog een stapje verder. Het doel is dan ook niet om individuele producten als aanrader aan te wijzen; we gaan in plaats daarvan op basis van de dataset op zoek naar interessante verbanden en inzichten die uit die getallenbrij naar voren komen. En die leveren ook weer praktische handvatten op voor jou als lezer, wanneer je in de (virtuele) winkel staat om een laptop te kiezen.

De verzamelde data stelt wel enkele praktische beperkingen. Zo kijken we in onze individuele laptopreviews ook altijd naar de stevigheid van de behuizing, de feedback van het toetsenbord en het gemak van het open- of dichtklappen van de machine. Dat zijn eigenschappen die zich maar nauwelijks laten vatten in harde cijfers, en dus ook niet terugkomen in dit artikel.

Een eerdere versie van dit artikel verscheen in Hardware Info Magazine #5/2019. Neem een abonnement op Hardware Info Magazine om als eerste onze beste, uitgebreidste artikelen te lezen en de gratis publicaties op deze site te steunen.

Prijs, merk en OS

Van de afgelopen anderhalf jaar geteste 570 machines is nog steeds het overgrote merendeel – 469 stuks, om precies te zijn – een pure laptop, oftewel een clamshell in jargon. Hoewel Windows-gebaseerde convertibles en tablets enkele jaren geleden een hoge vlucht leken te nemen, lijkt het enthousiasme van fabrikanten rondom dit soort apparaten de laatste tijd te zijn bekoeld. Zo kregen we de afgelopen 18 maanden nog 97 convertibles binnen ter test, terwijl ons maar 4 ‘echte’ tablets met Windows werden opgestuurd – daarmee bedoelen we apparaten die niet beschikken over een omklapbaar toetsenbordgedeelte, of geleverd worden met een los afneembaar toetsenbordje. Alle vier waren dat Surface-tablets van Microsoft zelf, waarmee eens te meer blijkt dat Windows-oem’s momenteel andere prioriteiten leggen.

De grote vier

De 570 laptops in dit artikel zijn afkomstig van 18 verschillende merken, al maken ook in ons testlab vooral de grote vier – HP, Asus, Lenovo en Acer – de dienst uit. Samen leverden die merken zo’n 83 procent van alle geteste laptops, waarbij we van HP nipt de meeste apparaten testten – het waren er 133. Bovenstaand cirkeldiagram geeft zowel een indruk van de verhoudingen tussen fabrikanten, als van de prijs van ieder afzonderlijk apparaat: hoe langer de balk, hoe duurder de laptop. Je ziet daaraan bijvoorbeeld dat je voor de apparaten van BTO (lichtgrijs), MSI (bruin) of Apple (geel) over het algemeen veel kwijt bent. Daarbij moeten we nadrukkelijk opmerken dat deze fabrikanten ervoor kiezen om hun meest luxe, uitgebreide modellen naar ons te sturen (zie ook de hoofdtekst over dit onderwerp). Dat vertekent het beeld van het eigen prijspeil. HKC (zwart), Peaq (paarsblauw) en Medion (donkerroze) hebben juist vaker betaalbare laptops.

Chromebooks nemen in het klaslokaal een hoge vlucht, maar onder consumenten zijn Windows-laptops nog veruit het meest populair. Sinds enige jaren horen we van fabrikanten dat Chromebooks vooral in het onderwijs een hoge vlucht nemen. Die trend begon in de Verenigde Staten, maar inmiddels hebben Chromebooks ook in Nederlandse klaslokalen hun intrede gedaan. Kijken we naar ons testbestand, dan zien we daarin echter maar 12 apparaten op basis van Chrome OS, terwijl we 11 Macbooks hebben doorgelicht. (Alle overige laptops en convertibles draaien nog altijd Microsoft Windows). Dat verschil is te verklaren doordat we bij Hardware Info vooral laptops testen die direct aan de consument worden geleverd. De Chromebooks voor het klaslokaal worden over het algemeen door de school gekocht en aan de studenten geleverd, wat het eenvoudiger maakt support te geven als er een defect optreedt.

 

Vijfhonderd tot zevenhonderd euro

De meeste geteste laptops kosten vijfhonderd tot zevenhonderd euro. We zien ook dat de interesse van de consument zich vooral op dat prijssegment richt. Laptops van meer dan duizend euro zijn beduidend zeldzamer en als we ze al zien, gaat het vaak om exemplaren gericht op gaming.

Hoewel Chromebooks nu aan marktaandeel winnen onder scholen en grote bedrijven, hebben fabrikanten nog altijd de nodige moeite om de consument voor een Chromebook te winnen. Dat wil niet zeggen dat ze dat niet proberen: de gemiddelde prijs van de 12 geteste Chromebooks ligt op 527 euro – nog duidelijk minder dan de Windows-machines in ons testbestand, die gemiddeld voor 827 euro over de toonbank gaan, maar toch al meer dan de absolute budgetexemplaren van enkele honderden euro’s die je vaker in klaslokaal of kantoor zult aantreffen.

Gelet op de manier waarop Apple zich over het algemeen positioneert, is niet gek dat Macbooks (Apple verkoopt geen convertibles of tablets op basis van MacOS) gemiddeld het duurst zijn: liefst 2751 euro. Eerlijkheidshalve moeten we er wel bij vermelden dat Apple ons steevast zijn meest uitgebreide configuraties opstuurt, waarbij de prijs extra wordt opgedreven doordat het merk de hoofdprijs vraagt voor upgrades van werkgeheugen en opslag. Ook de allerduurste machine van dit testveld – de nieuwprijs bedroeg vorig jaar liefst 7259 euro – is zodoende afkomstig van het fruitmerk.

Gewicht, formaat en aansluitingen

Hoewel de behuizing van een laptop de afgelopen jaren steeds compacter is geworden, is het nog steeds gebruikelijk de maat van het apparaat uit te drukken in de schermdiagonaal – een 15,6 inch-laptop of een 17,3 inch-model, bijvoorbeeld. In het diagram (tegenwoordig ook te vinden op de productgroeppagina Laptops) hebben we de gemiddelde lengte en breedte van alle laptops in ons testbestand in centimeters, op een rijtje gezet voor iedere categorie laptop die we hebben getest – van 10 inch tot en met 17,3 inch.

Alle 570 geteste laptops wegen bij elkaar meer dan duizend kilo. Duidelijk wordt dat vooral de laatste categorie er qua gewicht flink uitspringt. Niet gek, want naast de grotere dimensies gaat het hier vaker om gaming laptops die nog duidelijk zwaarder zijn. Maar toch, een 17,3-inch notebook woog enige jaren geleden nog ruimschoots meer dan 3 kilo. In het kleinere formaat is het gewicht ondertussen stelselmatig aan het dalen; een 13- of 14 inch laptop weegt gemiddeld tussen de 1,3 en 1,5 kilo. Daarmee is het niet gek dat we steeds vaker dat formaat laptops zien langskomen, ten koste van 15,6 inch modellen. Niettemin zien we die nog steeds het vaakst (258 modellen, versus 143 14 inch-laptops). Leuk detail: alle geteste laptops wogen bij elkaar meer dan duizend kilo.


Gemiddeld gewicht van alle geteste laptops met een bepaalde schermmaat.

Opslag en werkgeheugen: 8 GB, 256 GB

De meeste laptops hebben enkel nog een ssd aan boord, waarbij 256 GB veruit de meest geziene grootte is. 170 modellen bieden nog een harde schijf, die tegenwoordig meestal minimaal 1 TB meet. Respectievelijk 15 en 38 exemplaren waren behept met 32 en 64 GB flashopslag – zeker met 32 GB kom je zelfs al met Windows-updates in de knel. Qua werkgeheugen boden 292 modellen 8 GB, 151 apparaten 4 GB en precies 100 machines hadden 16 GB aan boord. Meer of minder geheugen is zeldzaam.

Qua aansluitingen merken we op dat het overgrote merendeel – 86 procent van de laptops – is voorzien van een hdmi-uitgang. Helaas gaat het in 73 procent van de gevallen wel om een HDMI 1.4-exemplaar, dat maximaal 4K bij 30 beelden per seconde ondersteunt. De reden hiervoor is dat de geïntegreerde graphics van Intel cpu’s nog altijd deze beperking hebben. Alleen bij displayport is die beperking er niet, maar die aansluiting treffen we zelden aan op standaard notebooks voor gewoon consumentengebruik. Helemaal modern is het aansluiten van een beeldscherm via USB-C of Thunderbolt 3. In het tweede geval kom je vaak van een koude kermis thuis: slechts 11 procent van het testveld heeft er ondersteuning voor. 72 procent van de geteste laptops beschikt nu over een usb-c-poort, al gaat het vaak niet om een versie die ook doorgifte van beeldsignalen ondersteunt.


Percentage van de geteste laptops met een bepaalde aansluiting of voorziening.

Fans van de klassieke vga-poort of een optische drive worden nog bediend door respectievelijk 4 en 7 procent van het testveld. Een ethernetpoort vinden we wel nog vaak terug (51 procent), wat opmerkelijk is gezien het relatief forse formaat van de aansluiting. Het beeld wordt hier wel enigszins vertekend doordat we bovengemiddeld veel gaming- en zakelijke laptops testen in vergelijking met de totale markt, waardoor de vaste netwerkaansluiting prevalenter lijkt dan die is.

Hoewel ac-Wifi nu de standaard is, zien we nog steeds tientallen modellen met een verouderde 802.11n-adapter. In de praktijk zal je ethernet op de meeste consumentennotebooks niet snel meer aantreffen. De nadruk daar ligt op draadloze verbindingen. In de meeste gevallen ondersteunen laptops nu 802.11ac-Wifi, al zijn er nog altijd 37 modellen met alleen 802.11n, die het ook moeten stellen zonder 5 GHz-support. Ook op 2,4 GHz vallen de doorvoersnelheden nogal tegen: gemiddeld zo’n 82 Mbit/s gemeten in de ideale omgeving van onze kooi van Faraday, waar je van een gemiddelde ac-adapter nu zo’n 115 Mbit/s op 2,4 GHz, en 425 Mbit/s op 5 GHz kunt verwachten. De meeste laptops uit het hogere segment maken gebruik van de Intel Wireless AC-9560-adapter (103 modellen), die op 5 GHz gemiddeld inderdaad tot de snelste adapters behoort, maar op 2,4 GHz wat meer moet toegeven op de concurrentie. Goedkopere apparaten (106 in totaal) hebben het vaakst de Qualcomm Atheros QCA9377, die op alle vlakken ondergemiddeld scoort. Slechts twee laptops beschikten al over ax-Wifi (Wifi 6), dat vooral op 2,4 GHz een stuk sneller blijkt dan ac-Wifi. Voor het komend jaar verwachten we veel nieuwe modellen met de nieuwste Wifi-standaard.

Beeldscherm

IPS is lang niet altijd zaligmakend - genoeg laptops met een in plane switching-paneel die er weinig van bakken qua kleurweergave. De tijd dat we op iedere betaalbare notebook onder de duizend euro een twisted nematic-lcd aantroffen met een lage resolutie van 1366x768 pixels, ligt gelukkig alweer enige jaren achter ons. Ook in het basissegment kun je tegenwoordig prima een laptop met een ips-scherm aanschaffen. Dat wil niet zeggen dat tn als paneeltechniek voor notebooks verdwenen is: nog 162 modellen in ons testveld hebben zo’n relatief goedkoop tn-lcd. Overigens zijn de drie letters van ips allesbehalve zaligmakend: zoals in onderstaande grafiek te zien, zijn er heel wat notebooks met een ips-paneel, die er qua kleur- en grijsafwijking weinig van bakken.

 

Tip: Je kunt paneeltypen verbergen/weergeven door erop te klikken in de legenda. Door middel van het menuutje ('Selecteer merk') kun je alleen laptops van een bepaald merk laten zien.

Resoluties lager (of hoger) dan full hd zijn wel zeldzaam geworden; liefst 461 van de 570 notebooks hebben een scherm met 1920x1080 beeldpunten, met 1600x900, 1366x768 en 3840x2160 als meest geziene alternatieven. Qua maximale helderheid bieden de meeste schermen nu in ieder geval 200 nits. Wil je een veel feller scherm, dan moet je het zoeken in een duidelijk hoger segment – zo rond de 2000 euro is een piekhelderheid van 400 nits gebruikelijk.

Fletser dan wenselijk

In de grafiek hierboven zie je het testveld uiteenvallen in twee verschillende groepen als het aankomt op de gemiddelde kleurafwijking, terwijl de gemiddelde grijsafwijking van alle schermen veel willekeuriger is verdeeld. Dat komt doordat veel fabrikanten in het segment onder de duizend euro een scherm monteren met een gebrekkige kleurweergave: een sRGB-dekking rond de 60 procent is haast standaard. Dat betekent dat verzadigde kleuren veel te flets worden getoond, zelfs als de fabrikant moeite heeft gedaan voor een correcte afstelling van grijstinten.

Wide gamut-schermen, die een groter kleurbereik dan sRGB kunnen weergeven, komen in dit testveld maar zelden voor: niet meer dan 13 modellen hebben een scherm dat qua kleurruimte in de buurt komt van DCI-P3 of AdobeRGB. De meeste daarvan zijn afkomstig van Apple.

Zelfs als je duizenden euro's uitgeeft, heb je als koper van een Windows-laptop nog steeds geen garantie op goed beeld. Wil je een laptop met een goede schermkalibratie, dan moet je je voorbereiden op een fikse uitgave. Pas in het prijssegment boven de 1500 euro zakken de gemeten gemiddelde kleur- en grijsafwijkingen gemiddeld over alle laptops in dit testveld onder de grens van 5. Ook als je zoveel uitgeeft is het in de wereld van Windows-notebooks geen zekerheid dat het scherm goed is afgesteld.

Voor de kapitaalkrachtige consument is er één manier om (haast) gegarandeerd een laptop met goed beeld te verkrijgen: koop een Mac. Zoals uit de testdata blijkt, kalibreert Apple zijn schermen uitstekend en bovendien zijn de verdere technische eigenschappen als contrast, helderheid en kleurbereik goed. Een machine met een oled-scherm is een andere mogelijke oplossing. In ons testbestand zitten er twee, de laatste maanden van dit jaar kwamen er nog een paar binnen. Hoewel de grijskalibratie soms nog een punt van aandacht vormt, zijn kleurweergave, kleurbereik en (uiteraard) contrast uitstekend.

Processorprestaties

De gemiddelde laptop had jarenlang een processor met twee rekenkernen. Dat veranderde met de komst van de achtste generatie Intel ‘Kaby Lake-R’-cpu’s begin vorig jaar, die als eerste in Intels zuinige ‘U’-serie cpu’s vier cores bevatten. Het gevolg: de meeste laptops in ons testveld (290) hebben nu een quadcore aan boord, waarbij de Core i5 8250U uit de Kaby Lake-R serie ook meteen de populairste chip is. Twee processorcores vinden we nog vooral in het lagere segment (210 modellen), terwijl je chips met zes cores vaak terugvindt in workstations en gaming laptops.

Twee rekenkernen vinden we bij laptops nu vooral nog terug in het budgetsegment. Intels tiendegeneratie ‘Comet Lake’-cpu’s brengen zes cores nu ook naar het mainstreamsegment; medio volgend jaar zullen de verhoudingen naar verwachting duidelijk anders liggen. Octacore-cpu’s blijven voor laptops voorlopig zeldzaam. Hoewel Intel er nu een paar in het assortiment heeft, bevatten twee van de zes machines uit dit testveld met acht cpu-kernen eigenlijk ‘stiekem’ een desktopchip. Één daarvan is afkomstig van AMD, dat nog geen octacore-laptopcpu in het assortiment heeft, maar het afgelopen jaar wel aan een opmars bezig is voor wat betreft de prestaties van zijn mobiele cpu's (zowel op het vlak van rekenkracht als zuinigheid). Hoewel de dominantie van Intel op laptopgebied voorlopig nog wel even zal blijven voortduren, zie je de concurrent steeds vaker terug in de winkel.

Zwaarder = sneller = duurder?

Zowel het gewicht als prijs van een laptop vertonen een correlatie met de prestaties ervan. Dat had je vast kunnen raden, maar in de praktijk blijkt dat ook perfect te kloppen, zoals te zien in bovenstaand overzicht. Dure laptops zijn over het algemeen sneller dan goedkope, maar bij een beperkt gewicht lopen fabrikanten tegen fysieke beperkingen op – ze worden niet heel veel sneller, naarmate je (heel veel) meer betaalt. De meerprijs zit hem dan in het lage gewicht, en vooral de buitenissige materialen en koeloplossingen die vereist zijn om dit mogelijk te maken.

Omgekeerd worden de prestaties over het algemeen niet veel beter wanneer je de 2 kilogram aan gewicht overschrijdt, enkele peperdure uitschieters daargelaten. De sweetspot in de driehoek prijs-gewicht-prestaties zit bij apparaten tussen de 1,6 en 1,9 kilo, die tussen de 1000 en 1500 euro kosten.

 

Tip: De box plot in bovenstaande grafiek toont in één oogopslag de mediaan en de standaardafwijking in de scores van deze populaire processortypen. Ieder puntje in de beeswarm plot representeert één geteste laptop (door de muis eroverheen te bewegen, zie je welke).

Een laptop met Core i7-processor levert lang niet altijd betere cpu-prestaties dan een model met Core i5 onder de kap. Wat bovenal blijkt uit de testdata: het onderscheid tussen een Core i5-processor en een duurder Core i7-model uit de veel geziene Kaby Lake-R en Whiskey Lake-series is in praktijk niet erg groot. Het aantal rekenkernen is dan ook gelijk, en hoewel processors met het i7-stickertje in principe hoger kunnen klokken en soms ook wat meer cachegeheugen hebben, is het daadwerkelijke prestatieniveau zeer afhankelijk van het koelsysteem en het door de fabrikant gekozen energiebeheer. Daardoor kan een Core i5-cpu in de ene laptop zelfs beter presteren dan een Core i7-chip in een ander apparaat. Bij processors uit de Coffee Lake-H-serie is er wel een duidelijk onderscheid tussen Core i5 en Core i7: alleen de duurdere chip bevat zes cores, terwijl modellen als de i5-8300H en i5-9300H nog steeds quadcores zijn.

 

Tip: Je kunt laptops van een bepaald merk verbergen/weergeven door erop te klikken in de legenda.

Zoals blijkt wanneer we even inzoomen op laptops met de populaire Core i5-8250U en i5-8265U, leveren laptops van Asus en Dell over het algemeen net wat hogere cpu-prestaties dan die van de andere grote laptopfabrikanten – de fabrikanten houden er wel van qua kloksnelheden en stroomverbruik het maximale op te zoeken en bouwen blijkbaar ook voldoende koeling in. De laptops van HP en Lenovo zitten qua gemiddelde prestaties wat meer all over the place, terwijl de modellen van Acer er qua cpu-scores niet uitspringen – niet in negatieve, maar ook niet in positieve zin.

3D-prestaties

Laptops met losse videokaart zijn gemiddeld een stuk zwaarder dan modellen met enkel een igpu. De meeste laptops moeten het doen zonder een aparte gpu, en maken dus gebruik van de in de processor geïntegreerde videochip. Die levert, het moge bekend zijn, over het algemeen geen bijster indrukwekkend resultaat – AMD Ryzen-cpu’s met geïntegreerde Vega-graphics vormen de enige echte uitzondering. Intels inmiddels overjarige ‘UHD Graphics 620’, met 155 exemplaren de populairste igpu in het testveld, scoort gemiddeld 337 punten in de 3Dmark Time Spy-benchmark. Ter vergelijking: de gemiddelde laptop met losse gpu levert meer dan 2200 punten, waarbij we bovendien opmerken dat het testveld nog veel verouderde gpu’s bevat uit de Nvidia GTX 900-serie. De drie laptops met Nvidia RTX 2080, de krachtigste mobiele gpu van het moment, scoren gemiddeld zelfs meer dan 10.000 punten. Zonder aparte 3D-chip wordt het wel mogelijk een lichter en compacter apparaat te maken. We zien dat in het testveld terug. Pas vanaf 1,1 kg duikt het eerste model met losse videokaart op, terwijl de lichtste laptop met Nvidia GTX-serie videokaart 1,6 kg weegt.

Geen Radeon (behalve in een Mac)

Van de 199 geteste laptops met een losse videokaart blijkt de Nvidia MX150 de meest gebruikte videochip, gevolgd door de GTX 1050 en GTX 1060. Oplossingen van AMD komen we (behoudens igpu’s) eigenlijk nauwelijks tegen; de enige uitzondering wordt gevormd door Apple Macbooks, die al jaren geen Nvidia-gpu’s meer bevatten. Net als bij de mobiele processors van het merk het geval is, zou daar binnenkort wel eens verandering in kunnen komen. Van de nieuwe zuinigere, op 7nm geproduceerde 'RDNA'-kaarten zijn er ook mobiele varianten.

Welke kaart je nodig zult hebben om al je games vloeiend te kunnen draaien, hangt uiteraard af van de spellen die je wil spelen. Onze standaard testsuite bestaat uit drie titels: Far Cry 5, GTA V en Rise of the Tomb Raider. De vaak in lichte ultrabooks gemonteerde MX130/230 en MX150/250 blijken daarvoor in 1080p-resolutie op Medium-instellingen eigenlijk al te licht: de gemiddelde framerates liggen onder het minimum van 30 fps dat je nodig hebt voor een enigszins vloeiende weergave. Pas vanaf de GTX 1650 of GTX 1060 Max Q kun je gemiddeld over deze drie games een comfortabele 60 fps ervaren. Opvallend genoeg vertonen de scores op Ultra-settings enkele vreemde afwijkingen, waarbij sommige kaarten nu zelfs hoger scoren dan op Medium. Waarschijnlijk worden de laptops op de lagere instellingen vooral geremd door beperkte processorkracht.

Hoewel laptopfabrikanten panelen met steeds hogere refreshrates gebruiken, bereiken veel modellen in recente spellen al bij zo'n 100 fps hun plafond, ook op lagere settings.De resultaten roepen voorts de vraag op wat de meerwaarde van een 120 Hz of 144 Hz paneel in een laptop is, behoudens de snellere responstijden – meerdere fabrikanten leveren nu zelfs al modellen met 240 Hz. Zelfs met de krachtigste videokaarten kom je eigenlijk niet aan een dergelijke framerate in deze weliswaar recente, maar niet ultiem veeleisende titels, waarbij veel modellen bij zo’n 100 beeldjes per seconde hun plafond bereiken – op Medium en Ultra worden bijna dezelfde framerates genoteerd, wat op een bottleneck elders in het systeem duidt.

De meeste gaming laptops hebben nog steeds een 1080p-beeldscherm, maar externe schermen hebben vaak een hogere resolutie, bijvoorbeeld 4K. Kijken we naar die resultaten, dan moet je laptop wel van goeden huize komen om beelden met die resolutie vloeiend te kunnen renderen. Je hebt minimaal een GTX 1660 Ti of GTX 1070 Max-Q nodig om een vloeiende 30 fps te bereiken, en dat op Medium-instellingen. Alleen de RTX 2080 bereikt op deze resolutie een gemiddelde framerate die (comfortabel) boven de 60 fps ligt, al wordt de hoge score enigszins geflatteerd door de krachtige octacore-processor in twee van de drie geteste laptops met die chip – opnieuw vormt de gebruikte cpu hier vaak een bottleneck.

Accuduur

Op voorhand kun je wel een aantal factoren bedenken die een negatieve impact hebben op de accuduur van een laptop, bijvoorbeeld een krachtige processor of een snelle videokaart. Ook andere onderdelen spelen een rol. Zo bevordert de aanwezigheid van een traditionele harde schijf de werktijd op een acculading niet, evenals het formaat van het scherm. Hoewel een 17,3 inch-behuizing ook meer ruimte laat voor een accu (dergelijke apparaten hebben met 47,8 Wh gemiddeld nipt de hoogste accucapaciteit, in vergelijking met modellen die kleiner zijn) zijn de looptijden over het algemeen toch stukken minder lang dan die van kleinere machines: zo’n 341 minuten gemiddeld in onze Browser accutest, waar 13 en 14 inch laptops gemiddeld 537 en 487 minuten meegaan. De kleinste apparaten leveren de beste looptijden per wattuur aan accucapaciteit, al komt dat ook doordat ze veruit minder krachtige hardware bevatten.

 

Mobiele quadcore-cpu's zijn tegenwoordig gemiddeld maar net iets minder zuinig dan dualcores. Kijken we naar het aantal processorcores in relatie tot de accuduur, dan zien we dat quadcore-modellen over het algemeen de langste looptijden noteren. Als we echter de looptijd delen door de hoeveelheid wattuur aan accucapaciteit, en daarbij ook corrigeren voor factoren als het formaat en de aanwezigheid van een losse gpu, blijken quadcores nog altijd net wat minder zuinig dan chips met twee rekenkernen. Die halen gemiddeld 9,6 minuten per Wh accucapaciteit, dualcore-modellen doen 10,2 minuten per Wh. Bij de (fiks kortere) looptijden van hexa- en octacore-modellen spelen andere factoren mee. Ook de relatie tussen gewicht en accuduur is niet eenduidig: zwaardere laptops kunnen gemiddeld juist vaak korter zonder stekker, dan veel lichtere apparaten.

De zuinigste mobiele gpu

We hebben getracht ook voor videokaarten te bepalen welke het zuinigst omspringt met de accu, al komen daar meer factoren bij kijken die het beeld vertekenen. Zo beschikken gaming laptops met een krachtige videokaart vaak over een stroomverslindend G-sync beeldscherm met een hoge refreshrate, waarbij de losse videochip continu actief moet blijven. Andere laptops schakelen automatisch terug naar de interne gpu bij lichte taken. Evengoed zijn wel een paar trends te destilleren. Niet verrassend zijn krachtiger kaarten beduidend minder zuinig dan lager gepositioneerde modellen, waarbij Max-Q-varianten juist minder van de accu vergen. De relatief nieuwe GTX 1650 levert in ons testveld de beste verhouding tussen prestaties en accuduur.

Om te bepalen wélke cpu’s het best omspringen met de batterij, hebben we uit onze dataset een selectie gemaakt van 15,6 inch-laptops die geen van alle beschikken over een losse videokaart. We corrigeren voor de accucapaciteit door weer het aantal minuten looptijd per Wh aan accucapaciteit te berekenen. Het zal niet verbazen dat zuinige, maar weinig performante dualcores dan aan het langste eind trekken.

 

Tip: Tik of beweeg je muispijl over het balkje van een cpu voor de precieze berekening en score in procenten.

Nemen we ook de prestaties mee, door de eerder berekende score te vermenigvuldigen met de score die de laptop op de accu in de benchmark PCMark Creative heeft behaald, dan ontstaat bovenstaande grafiek. Bij volle belasting blijken machines met een Pentium 4415U gemiddeld het zuinigst om te gaan met de accu. Niettemin zouden we de Kaby Lake-R en Whiskey Lake-series aanwijzen als winnaar: die zijn puur als we naar de prestaties kijken een stuk sneller, en maar nauwelijks minder zuinig dan deze twee processors – zeker als we kijken naar het idle-verbruik. Ook mooi te zien in dit overzicht is de sprong in zuinigheid die AMD de afgelopen jaren heeft gemaakt, en de processors ook voor notebooks weer competitief maakt. De A9-9420 uit het pre-Ryzen-tijdperk trekt de accu erg snel leeg, de Ryzen 5 2500U kan al stukken beter meekomen, terwijl de twee modellen in de Ryzen 3000-serie het blijkens deze berekening al bijna even goed doen als de best scorende mobiele Intel-processors uit de 8ste generatie.

 

Laptops met quadcore-cpu noteren relatief slechtere prestaties op de accu, versus aan de stekker. Ten slotte is het interessant om te zien welke processors het meeste inleveren qua prestaties, wanneer ze moeten werken op de accu in plaats van op netstroom. Voor Pentium en Celeron-exemplaren is amper sprake van een stap terug, en ook bij de dual-core processors valt de terugval best mee. Bij de quad-core modellen is duidelijker zichtbaar dat deze cpu’s het rustiger aan moeten doen om de accutijd niet te zeer in te laten zakken: gemiddeld presteert een i7 uit de U-serie 12 tot 14% minder op de accu dan met aangesloten adapter. Opvallend is dat de paar AMD Ryzen 5 2500U notebooks die we testten het hier relatief goed doen, ondanks hun vier cores en krachtige igpu: de teruggang blijft beperkt tot 10 procent. Aan de andere kant zien we bij de andere laptops op AMD-basis een veel grotere terugval, waardoor we vermoeden dat we nog niet voldoende notebooks met processors van deze fabrikant hebben getest om een duidelijk beeld te krijgen.

Conclusie

Aan de hand van de tekst en grafieken in dit artikel, gemaakt op basis van anderhalf jaar laptops testen, heb je hopelijk een beeld gekregen wat je anno 2019 van de gemiddelde laptop mag verwachten én waar je op moet letten wanneer je in de winkel staat. Voor de gemiddeld 549 tot 749 euro die de modale machine kost, ontvang je gemiddeld genomen een hele redelijke verzameling hardware. Zo is de alom gemonteerde Core i5-8250U (of zijn opvolger, de i5-8265U) niet alleen voldoende krachtig voor de meeste gebruiksdoelen, maar ook nog eens zuinig met kostbare accucapaciteit. Minpunten van Intels platform vormen nog steeds de magere gpu-prestaties en beperkte hdmi-poort, al beloven de nieuwe ‘10th’-gen oplossingen van het bedrijf daar verandering in te brengen.

Minder positief gestemd zijn we na het bekijken van 570 laptops over de schermkwaliteit die je bij het gemiddelde apparaat ervaart. Je moet gemiddeld genomen meer dan anderhalfduizend euro uitgeven, voor je de kans op een flets en slecht gekalibreerd paneel hebt geminimaliseerd. Dat is teleurstellend, want zelfs budgetsmartphones, tablets en pc-monitoren slagen er al in om een prima kleurweergave te bieden. Evengoed zit er ook bij laptops eindelijk een beetje ontwikkeling in de kwaliteit van de gebruikte panelen, nu laptops met oled-schermen sinds dit jaar eindelijk voor het bredere publiek beschikbaar zijn. Het is te hopen dat die ontwikkeling zich volgend jaar ook in een lager segment zal doorzetten.

0
*