De geschiedenis van de processor - Deel 3

20 reacties
Inhoudsopgave
  1. 1. Celeron
  2. 2. Pentium III
  3. 3. Pentium III Coppermine
  4. 4. Ook AMD weer naar de Socket
  5. 5. Intel Pentium 4
  6. 6. Wordt vervolgd...
  7. 20 reacties

Celeron

Aan het eind van deel 2 van onze reeks over de geschiedenis van de processor zijn we aanbeland in het jaar 1998, waarin de Intel Pentium II het opneemt tegen de K6-II. In deel 3 laten we alle ontwikkelingen tussen 1998 en 2002 de revue passeren.

Klik hier voor De geschiedenis van de processor - Deel 1
Klik hier voor De geschiedenis van de processor - Deel 2

De laatste Intel processor die we in het vorige deel bespraken, was de Pentium II met Deschutes-core. Uniek bij deze Pentium II was de aanwezigheid van 512 kB L2-cache geheugen, maar aangezien de techniek in 1997 nog niet ver genoeg was om de processor en het cache-geheugen in één chip te verwerken, moest de Pentium II processor samen met twee losse cache-modules plaats nemen in een Slot 1 cartridge, die qua uiterlijk nog het meest te vergelijken is met een Nintendo spelcasette.

Voor high-end systemen was de Pentium II in 1998 de ideale keuze, maar voor goedkopere PC's was de Pentium II helaas veel te duur. Intel heeft nog geruime tijd Pentium MMX processors geleverd voor goedkope PC's, maar had de behoefte om ook voor de goedkopere marktsegementen de overstap te gaan maken van Socket 7 naar Slot 1. Omdat de échte Pentium II dankzij de cache-chips veel te duur was voor goedkope systemen, ging Intel aan de slag met het ontwerpen van een goedkope Slot 1 processor gebaseerd op de technologie van de Pentium II. In 1998 kwam die er in de vorm van de eerste Celeron processor.

Celeron

De eerste Celeron met codenaam Covington verschijnt op 15 april 1998 en is in essentie een Pentium II zonder L2-cache. Ook de Celeron maakt gebruik van de Slot 1 connector, maar mist vanwege de kostenbesparing de mooie cartridge rond de processor. Linksboven op pagina 60 van Hardware.Info Magazine #5/2004 vind je een foto van een opengewerkte Pentium II: denk de twee L2-cache chips weg en je hebt de Celeron! De Celeron Covington is slechts op twee kloksnelheden verschenen, 266 MHz en 300 MHz, want men was er al snel achter dat een Pentium II met helemaal geen L2-cache dramatisch presteerde. Vandaar dat Intel slechts vier maanden later al met een nieuwe Celeron kwam, met codenaam Mendocino.

Deze tweede generatie Celerons hadden wel L2-cache, al was de hoeveelheid beperkt tot 128 kB. Wegens deze kleine hoeveelheid was het voor Intel voor het eerst mogelijk om het L2-cache geheugen onder te brengen in processorchip zelf. Bijkomend voordeel was dat het hierdoor mogelijk werd om de cache ook op de volledige processorsnelheid te laten werken: de externe cache-chips van de de Pentium II werken bijvoorbeeld slechts op halve processorsnelheid. Dankzij het geïntergreere cachegeheugen bestond de nieuwe Celeron uit maar liefst 19 miljoen transistors, meer dan twee keer zoveel als de Pentium II chip. Maar wegens het ontbreken van losse cache-chips en het ontbreken van de cartridge bleef de Celeron een stuk goedkoper te produceren dan de Pentium II. De nieuwe Celerons werden in eerste instantie geïntroduceerd op 300 en 333 MHz en tot aan het jaar 2000 is Intel dit type Celeron blijven versnellen tot klokfrequenties van 533 MHz. Buiten de L2-cache was er overigens nog één ander verschil tussen de Celerons en de Pentium II: De Celerons maakten allemaal gebruik van een 66 MHz frontside bus, waar de nieuwste Pentium II's een 100 MHz FSB hadden.

Omdat wegens het ontbreken van losse cache-chips de noodzaak voor een slot-connector weer was verdwenen, maakte Intel in 1998 al snel de overstap terug naar een socket. De socket-equivalent van Slot 1 kreeg de naam Socket 370, genoemd naar het aantal pinnetjes. Moederborden met deze socket kwamen al snel beschikbaar, maar dankzij speciale Socket 370 naar Slot 1 convertors was het ook mogelijk om de nieuwe socket-processors op de Slot 1 moederbord te plaatsen.

De nieuwe Celeron was razend populair, want de prijs/prestatie verhouding was ongekend. De full-speed L2-cache zorgt ervoor dat Celerons en Pentium II's op dezelfde klokfrequentie aan elkaar gewaagd zijn. In de tijd van deze Celeron is ook het fenomeen overklokken erg in trek gekomen. Het bleek namelijk dat de Celerons op 300 MHz en 333 MHz met goede koeling vaak ook met een 100 MHz FSB wilden werken. Een Celeron 300 MHz toverde je op die manier om naar een 450 MHz processor en een 333 MHz variant ging werken op 500 MHz. Op deze manier werden de goedkope Celeron processors echt extreem snel. Processors die je heel eenvoudig 50% kunt overklokken zijn er na deze Celerons helaas nooit meer geweest.


Wegens het ontbreken van cache-geheugen bij de eerste Celerons is een dure Slot-uitvoering niet meer nodig. Voor de Celeron, en later ook de Pentium III, introduceert Intel daarom Socket 370.

Dual Celerons

Aangezien de Celeron in essentie gelijk was aan de Pentium II, was deze dus in principe ook geschikt voor dual-processor systemen. Intel had nooit gedacht dat mensen daadwerkelijk van deze mogelijkheid gebruik gingen maken, tot ABIT in 1999 met het wereldberoemde BP6 moederbord op de proppen kwam. Dit bord met de bekende Intel 440BX chipset had twee Socket 370 connectors aan boord en kon zodoende voorzien worden van twee processors. Veel hardware-freaks combineerden dit bord met twee Celeron 300 of 333 MHz processors, overklokten deze naar de genoemde 100 MHz FSB en op die manier kun je in 1999 als consument al voor bijzonder weinig geld over een 1 GHz (2x 500 MHz) systeem beschikken. Bij latere Celerons zou Intel hier een stokje voor steken en werd de dual-CPU mogelijkheid verwijderd.


Een Socket 370 Celeron of Pentium III in een Slot 1 moederbord? Het kon probleemloos met deze adapter.

0
*